Ik heb nog 1 souvenir uit mijn jeugdjaren.

Toen ik klein was, blies ik in de zomers altijd bellen. Je kent dat wel, je dompelt zo’n stokje in zeepsop en dan blaas je erop zodat er zeepbellen ontstaan, die dan de wijde wereld in trekken, de lucht in, hoger en hoger.

Nooit was ik zoals de rest. Terwijl de andere kinderen joelend op en neer sprongen om zoveel mogelijk bellen te doorprikken, stond ik in de branding. Ik verdedigde zoveel mogelijk zeepbellen tegen de verwoestende handen van de ‘vernielers’. Vaak tevergeefs. Toch heb ik er 1 kunnen redden. Eén ervan kon ik voorzichtig bij me nemen en verstoppen in m’n jaszak. Thuisgekomen haalde ik deze ene fragiele kostbare bel uit m’n jas en borg ik hem op in een kistje.

Dat kistje met de zeepbel erin staat nog steeds naast m’n bed. En zolang beer en ik erover waken, zal die bel nooit kapot springen.