Paniek. Ik mis de vallende teddybeer. Bloed raast door mijn lichaam met elke hartslag terwijl ik besef dat mijn dierbare beer, die niks misdaan heeft, in die anderhalve seconde al enkele meters voor het raam van de onderbuurman moet zijn.
Terwijl hij daar in mijn gedachten zweeft, vliegt mijn lichaam over het bed, door de deur, naar de traphal. Ik raas naar beneden met drie treden tegelijk. Een verdieping lager spring ik over de leuning naar de andere kant. Vijf treden tegelijk. Ik kaats in elke bocht van muur naar muur. Ik loop een medebewoonster omver. Zeven treden tegelijk. Ik verzwicht mijn enkel, maar sta vlug terug op en mankhinkelstapsprint enkele verdiepingen verder, waar ik door het raam een glimp opvang van vallende beer. Treden kraken onder mijn dreunende voeten, een trapleuning breekt als remblok. Eenmaal beneden duik ik als een doelman door het glas van de voordeur. En beer landt in mijn bebloede handen. Beer landt heelhuids in mijn veilige handen.