‘op-ge-ven (gaf op, h. opgegeven)) 1 aanreiken, overhandigen: wil je dat wel eens gauw -! ; 2 naar boven doen stijgen, uitwasemen: het moeras geeft ongezonde dampen op; 3 braken, uitspuwen: zijn eten -; slijm -; 4 bekendmaken, melden, opnoemen: de namen -; 5 opdragen te doen of te maken: een som -; een taak -; 6 niet langer kunnen volhouden: hij moest het ten slotte -; prijsgeven, neerleggen: zijn ambt -; laten varen: de hoop -; de moed -; als hopeloos beschouwen: de patiënt is opgegeven; 7 hoog - van zeer roemen, door zijn uitlatingen als zeer belangrijk of gewichtig voorstellen; 8 ZN (geld) bijgeven, bijpassen, bijbetalen; 9 ZN (iem. iets) ingeven, voorzeggen: inblazen
…in mijn woordenboek staat het wel!”