Het beestje probeert te vliegen… ik zie dat er iets mis is met zijn, of haar, vleugeltjes. Was het nu een hij, of een zij? Weet je wat, ik noem hem, of haar, Kim. Zo blijft mijn onwetendheid gecamoufleerd. Het diertje, Kim dus, raakt niet in de lucht. Kim kan niet meer vliegen… Wat vreselijk! denk ik. Ik overweeg om het… ik bedoel, Kim, dood te slaan met die vliegenmepper die altijd in de onderste lade van de keukenkast ligt. Ik twijfel. Hoe kan ik een beestje dat een naam heeft, doodslaan? Kim had niets fout gedaan. Ik wil Kim alleen maar helpen… is de dood een oplossing? Ik had medelijden met Kim. Kan een lieveheersbeestje, dat niet kan vliegen, toch gelukkig zijn? Wacht eens even… kán een lieveheersbeestje gelukkig zijn? Ik weet het allemaal niet meer.