Nu ik zijn gezicht van opzij zie, begin ik medelijden met hem te krijgen. Die lijn van voorhoofd tot kin, wat raar. Het is net alsof zijn maker de dag van zijn creatie inspiratieloos was. Zijn ogen krijgen een heel bezitterige fonkeling terwijl zijn vinger naar de deur van m’n slaapkamer wijst. “Daar blijf je uit!” schreeuw ik. “Van beer blijf je af, beer is van mij, van mij, van mij!” Hij heeft het begrepen. Hij gaat weg. Ik loop m’n kamer binnen en zie beer op het bed zitten. Hij mag van geluk spreken. Egoïsme van mezelf, en dankbaarheid van beer. Mijn beer.